Home » Teksten » Gedichten » Gedicht ‘Aeddon’

Gedicht ‘Aeddon’

[Foto: Drents Archief]

Gedicht ‘Aeddon’ van Willem Jacobszoon Hofdijk

Hunebedden inspireerden de dichter Willem Jacobszoon Hofdijk tot het schrijven van Aeddon, een episch gedicht. Een deel van het gedicht werd in gewijzigde vorm gepubliceerd in de Nieuwe Drentsche Volksalmanak van 1886, door diens oprichter en Darwinist, publicist, ontginner, uitgever en wetenschapper: Hermanus Hartogh Heijs van Zouteveen uit Assen.

Hij schrijft daarover: ‘Dit geheel in Drenthe spelende epos in tien zangen is, helaas! toch in onze provincie weinig bekend. Daar Hofdijk in dit werk zijner jeugd de bouwers der steengraven met Keltische gewoonten schetst, en hen zelfs landbouw laat beoefenen, en de aangehaalde regels aan verschillende gedeelten van zijn gedicht zijn ontleend, heb ik enkele wijzigingen moeten aanbrengen, daar ik al, wat slechts op fantasie berust, zooveel mogelijk wenschte te vermijden en de aanhalingen uitsluitend, en hier goed passend geheel moest vereenigen.’ 

 

‘Aeddon’ – Willem Jacobszoon Hofdijk

Nog lag Europa woest, de nevel der barbaarschheid

Hing zwaar, en dunde nauw aan ’t Zuiden voor de schaarschheid

Van enk’le stralen lichts, het Oosten uitgestroomd,

En borend in dien nacht, meer dan verwellekoomd;

Maar ’t Noorden, overzwermd door onbekende horden,

Die als het kruid der heide ontloken en verdorden,

Ontstonden, streden – en vergingen, op een boôm,

Woest als hun aard, wild als hun tochten, en den toom

Zoo min gewend als zij – het Noorden tartte ’t dagen

Van ander licht nog, dan wat stof’lijke ogen zagen,

Bij ’t bloot bestaansbesef

 

De vuursteen, omgeschapen

In wigge, in vlijm, in akst, werd werktuig, pronk of wapen;

’t Metaal lag ongewekt. Half Neêrland, nog in zee

Bedolven, bood den voet des zwervers oord noch steê

Dan eerst op Drenthe’s grond, waar donk’re boschwaranden

De heuvelige hei bedekten tot de stranden

Des Noorder-Oceaans. Dáár sloeg een stout geslacht

Van onbekenden stam, als uit den diepsten nacht

Der tijden opgedoemd, zijn hutten aan den stroomen;

Fier, krachtig, forsch gebouwd, gelijk hun eikenboomen.

 

Hun stam verging, met hem de kennis hunner daân.

Geen sage of monument spreekt meer van hun bestaan,

Dan ’t eenzaam hunebed, wiens saâmgetorschte steenen,

Aan ’t graf van ’t opperhoofd een wilde pracht verleenen.

 

Voor ’s oudheidskenners blik verrijst een glansrijk licht

In ’t duister van het grijs verleden, op ’t gezicht

Dier klompen van graniet, verbazend door hun zwaarte,

Die ’t rugvlak dekken van ’t ontzaglijk grafgevaarte,

Dat aan het nageslacht in Drenthe’s golvend veld

De laatste rustplaats wijst van priester, vorst of held!

 

Die urnen met hun asch, die steenen bijl en hamer,

Daarmeê begraven in de sombre wufselkamer

Van reuzenflinten (eens met forsche mannenkracht

Ontgraven aan de heide en went’lend aangebracht,

Tezaâmgestapeld en met heuv’lende aard omgeven),

’t Getuigt, zelfs zonder schrift, van vroeger menschenleven!

 

Die forsche mannenkracht bouwde een getuigenis van vroeger menschenleven dat door de eeuwen heen de mens in beroering bracht. En door de eeuwen heen veranderde de opvatting over de betekenis van het hunebed. De oorspronkelijke betekenis raakte in de vergetelheid en de bejegening door de mens van de sombre wufselkamer veranderde eveneens.

Werkt een layar-pagina niet? bekijk hier alle pagina’s die verbonden zijn aan het boek.