Home » Onderzoek » Milutin Milankovich

Milutin Milankovich

[Afbeelding: Provincie Drenthe]

Theorie van Milutin Milankovich om klimaatveranderingen en ijstijden te verklaren

De veranderingen in het klimaat worden veroorzaakt doordat de aarde niet stil hangt in het heelal, maar traag schommelende bewegingen maakt in een ritme van duizenden jaren. Dat werd vastgesteld door de Servische ingenieur en geofysicus Milutin Milankovich (Kroatië 28 mei 1879 – 12 december 1958).

Zijn bevindingen worden, mede op basis van recent onderzoek, in wetenschappelijke kringen breed ondersteund.
Er zijn drie factoren die een rol spelen in de veranderingen van het klimaat op aarde:

A. de variaties in de ellipsvormige aardbaan om de zon (excentriciteit) met een duur van 100.000 jaar

B. de verandering van de hoek van de aardas ten opzichte van het vlak waarin de aarde om de zon draait (obliquiteit) met een duur van 41.000 jaar

C. de tolbeweging (precessie) van de aardas, met een duur van 26.000 jaar

Deze voortdurende bewegingen, zorgen voor veranderingen in de hoeveelheid zonlicht op aarde. Minder zonlicht zorgt voor afkoeling van de aarde en ijsvorming op de Noord- en Zuidpool. Veel ijs zorgt voor meer terugkaatsing van zonlicht, waardoor de aarde nog meer afkoelt. Minder ijs betekent meer opname van zonlicht en dat zorgt voor opwarming waardoor nog meer ijs smelt.

Het tegenwoordig tijdvak, het Holoceen, is het voorlopig laatste interglaciaal: een geologisch gezien vrij korte, warme periode van ongeveer 10.000 jaar tussen twee glacialen (ijstijden) in. Zo’n 12.000 jaar geleden eindigde het laatste interglaciaal. De periode van afkoeling naar een nieuwe ijstijd gebeurt niet binnen een mensenleeftijd, maar duurt zo’n 10.000 á 20.000 jaar.

De ligging van de landoppervlakten op het noordelijk halfrond is ook van invloed op klimaatsverandering. Als er sprake is van een koudere periode met uitbreiding van landijs weerkaatsen voorkomende grote besneeuwde oppervlakken het zonlicht en wordt op die manier de warmteverdeling beïnvloed. Ook de verdeling van continenten en oceanen over het aardoppervlak heeft daarop invloed. Veranderingen in de samenstelling van de atmosfeer, bijvoorbeeld door gassen – H2O en CO2 -, hebben ook een bepaald effect op het klimaat. Ook zwevend stof van grote vulkaanuitbarstingen, of door meteorietinslagen veroorzaakte bosbranden, zorgen voor (tijdelijke) verandering. Hoe het ook zij, dit soort fysieke omstandigheden, gekoppeld aan de baanvariaties van de aardas, zorgen voor afwisselend warme en koude perioden.

De gevolgen zijn er niet minder om. In koude perioden wordt veel neerslag vastgelegd in ijs. Het gevolg daarvan is dat de zeespiegel daalt en het landoppervlak groter wordt. Van de laatste ijstijd weten we dat de zeespiegel zelfs wel 120 m lager lag dan nu en was het Noordzeegebied gewoon land. In warmere tijden smolt het ijs en steeg niet alleen de zeespiegel, de neerslag nam weer toe en bomen en planten konden weer groeien. Door de hogere zeespiegelstanden moesten mensen haastje-repje het Noordzeegebied verlaten. Dieren die te laat waren verdronken op het hoger gelegen gebied bij de Doggersbank.

De laatste jaren is duidelijk geworden dat ook de manier waarop de mens zich op aarde met name in de laatste eeuwen manifesteert, invloed heeft op het klimaat. Door toedoen van de mens neemt de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer nog steeds toe. Het CO2-gas, houdt warmte op aarde vast en zorgt zelfs voor verdere opwarming. Dit door mensen veroorzaakt fenomeen heeft gevolgen voor het klimaat. Duidelijk is dat we nu in een te warme periode leven, die een nieuwe ijstijd tegenwerkt.

Werkt een layar-pagina niet? bekijk hier alle pagina’s die verbonden zijn aan het boek.