Home » Onderzoek » Titia Brongersma

Titia Brongersma

[Foto: Rudy Leukfeldt]

In 1685 onderzocht Titia Brongersma het Hunebed van Borger

De eerste van wie in dit opzicht bekend is dat ze een opgraving deed is Titia Brongersma. Over haar is niet zo veel bekend. Ze werd rond 1650 in het Friese Dokkum geboren en ging later in Groningen wonen. In 1685 maakte Brongersma een uitstapje naar het grote hunebed in Borger, toen al een toeristische trekpleister.

De aanleiding was een bezoek tijdens Pinksteren 1685 aan Jan Laurens (Lentinck), schulte van Borger. Het bleef niet bij kijken. Ze liet in juni van dat jaar in het grote hunebed graven. Tot haar verbazing bleek het om een oude begraafplaats te gaan en niet om een door reuzen opgestapelde steenhoop.

Het inspireerde haar tot haar gedicht Loflied op ’t hunebed. Een bevriende schrijver, Ludolf Smids, vertelde later in zijn boek Schatkamer der Nederlandsche oudheden (1711) hoe Brongersma ter plekke begon te graven: ‘En ziet! Zij ontdekt in het bijzijn van den jongen Heer Lenting (bij wiens vader zij was gehuisvest) voor eerst veel klene keizelstenen, straatgewijs tegenover malkanderen gezet.

Hieronder stonden veel ronde potten, zeer ruw en plomp gevormd, bruinblauw of donkerrood van verf [kleur], sommige twee en sommige vier oortjes hebbende. Wat moeite zij ondertussen dede om zulk een askannetje geheel uit dezen hoop te lichten, zij vielen toch alle in scherven, alleenlijk een menigte doodbeenderen en as uitstortende. [Zij] werd deswegen genoodzaakt om met de roof van enige onkennelijke [onherkenbare] stukken en brokken zich te vergenoegen. Ondertussen, zoveel ik weet, is zij de allereerste geweest die het aardrijk onder deze keien heeft omgewroet. Waarlijk een daad om door de Dichtkonst vereeuwigd te worden!’

Na haar waren Johannes van Lier en Nicolaas Westendorp actief met publicaties rond hunebedden. Met Caspar Jacob Christiaan Reuvens ( Den Haag 22-2-1793 – Rotterdam 26-7-1835 ) kreeg Nederland de eerste buitengewoon hoogleraar in de archeologie aan de Rijksuniversiteit Leiden en eerste directeur van het Rijksmuseum van Oudheden.

Reuvens verrichtte belangrijk pionierswerk in de moderne archeologie. In 1815 werd hij hoogleraar in de klassieke letteren te Harderwijk en drie jaar later benoemd door koning Willem I tot buitengewoon hoogleraar in de archeologie aan de Leidsche Hogeschool (Universiteit van Leiden). Daarmee was hij de eerste hoogleraar in de archeologie ter wereld. Hij beperkte zich niet tot de klassieke wereld, maar onderzocht ook de pre- en protohistorie van de eigen omgeving.

Reuvens werd ook belast met de oprichting van een groot nationaal oudheidkundig museum, dat vergelijkbaar zou zijn met de grote musea van Parijs, Londen en Berlijn. Hij bezocht grote archeologische musea in Europa waaronder het British Museum en hield nauwkeurig een dagboek bij over zijn bezoeken. Het resultaat was het huidige Rijksmuseum van Oudheden te Leiden.

Na Reuvens volgden anderen zoals Willem Pleyte, die in 1874 een reis door Drenthe maakte en voor het eerst de hunebedden fotografeerde. Rond 1900 speelde hij een belangrijke rol bij de ontmaskering van vervalsingen in Odoorn.

Werkt een layar-pagina niet? bekijk hier alle pagina’s die verbonden zijn aan het boek.