Home » Hunebedden » Mysteries » Wichelend

Wichelend

[Foto: Hunebedcentrum]

Wichelend

Op een zonnige winterse dag tref ik gepensioneerd melkveehouder en wichelaar Jan Tissingh uit Ruinen, op de parkeerplaats achter het kerkhof in Rolde. Het doel van onze ontmoeting is met de wichelroede tussen de beide daar gelegen hunebedden te zoeken naar de plek van een derde en vierde hunebed. We lopen naar het grasveld tussen de beide hunebedden. Hij heeft twee stangetjes bij zich van messingkleurig draad, waarvan het eind omgebogen is tot een soort lus en waarvan het begin in een houten handvat steekt. Het stangetje kan vrij ronddraaien in het handvat. Middenop het veldje loopt hij in stilte en ietwat voorovergebogen, met in elke hand een wichelroede, de handen ongeveer een halve meter uit elkaar. Ik zie op bepaalde plekken de stangetjes naar elkaar toe draaien. Hier is het, zegt hij en trekt met zijn voet een streep in het gras. Dat herhaalt zich een paar keer en zo meet hij de afmetingen van de plek waar eens een derde hunebed geweest moet zijn. De plek ligt precies tussen de beide hunebedden in.

Bij het meest westelijk gelegen hunebed loopt hij naar de noordkant ervan en stelt wichelend vast dat het hunebed oorspronkelijk langer is geweest en dat er twee zijstenen met een deksteen, een zogenaamde triliton, ontbreken. Zijn wichelroede vind de leilijn die volgens zijn meting door het hunebed loopt. Aan weerszijden van het hunebed vindt hij, daaraan parallel lopend, een ondergrondse waterstroom die noord-zuidwaarts loopt en eentje die deze west-oostwaarts kruist.

Ik vertel dat het mij niet gelukt was met een wichelroede ook maar iets van een reactie te krijgen. Hij meet vervolgens mijn magnetisch veld en dat schijnt in een omtrek van maar een meter om mij heen waarneembaar te zijn. Hij heeft een magnetisch veld van wel vier meter, zegt hij. Dus ja…

We lopen naar de zuidoostelijke hoek van het kerkhof. Roldenaar Arie Fonk had mij verteld dat daar het restant van een hunebed aangetroffen was tijdens het delven van een graf. Op het nieuwe gedeelte bij het enkelvoudig graf, stelt Jan wichelend de omtrek vast van een vierde en kleiner hunebed. Hij vraagt de wichelroede naar data. Het is omstreeks 5600 jaar geleden gebouwd en omstreeks 2600 jaar geleden verdwenen, zegt Jan. Bij de aanleg van het graf trof de schep van grafdelver een grote flint. De grafdelver kreeg opdracht het graf iets verderop te graven. Bij nader onderzoek bleken er meerdere flinten te liggen, een eindje onder het maaiveld. Het terrein zou ter plekke opgehoogd zijn vanwege de overgang in de voormalige Noord Ooster Lokaal Spoorlijn.

We lopen vervolgens over het kerkhof naar de Jacobuskerk. Op het nieuwe gedeelte liggen een aantal graven waarop grote flinten staan, opvallend, tussen de van gladde zwarte platen voorziene graven. Aan de achterkant van de kerk wijst Jan de plek aan waar oorspronkelijk een ingang was. We lopen langs de kerk naar de toren en ik probeer of de deur open is: helaas. Ik bel de koster: geen contact. Ik vertel Jan van de vier flinten, de zogenaamde Seendstenen die tijdens de restauratie aan de zuidgevel gevonden waren en hij zoekt ze op. Ze lagen volgens de wichelroede bij de zijingang. Dat klopt, nu liggen ze ingemetseld in twee steunberen van de kerk, half verscholen onder het maaiveld, ter weerszijden van de Seenddeur. Dan zie ik iemand in de consistoriekamer. De heer Bos, koster van de kerk, laat ons binnen en Jan loopt direct naar het koor en wichelend stelt hij vast dat daar in het midden een hunebed heeft gelegen.

De koster zegt dat een groep wichelaars uit Noord-Holland, die toestemming kregen de kerk van binnen en buiten wichelend te onderzoeken, precies hetzelfde resultaat meldden.

Aan de noordoostzijde van het koor wijst Jan de oorspronkelijke en verdwenen deur aan, hetgeen door de koster wordt bevestigd. De koster vertelt van de opgraving in de jaren zestig en de sporen van de voorgangers van de huidige kerk, die daar onder het huidige schip van de kerk aangetroffen werden. In het schip lokaliseert Jan onmiddellijk de omtrek van de allereerste houten kleinere kerk. De houten kerk was gefundeerd op flinten, evenals de andere oudste Drentse parochiekerken. We praten nog even met de koster en nemen afscheid.

We lopen terug over het kerkhof waar ik hem wijs op het graf van flinten van Harry Muskee. Terug op de parkeerplaats neem ik ook afscheid van Jan en bedank hem voor zijn vriendelijke aanbod met mij te wichelen naar de al dan niet verdwenen flinten. Voordat ik wegrij loopt hij terug naar mijn auto en geeft mij een paar velletjes A4 met informatie. Thuis lees ik de informatie over leylijnen en leycentra, wateraders en Hartmannlijnen. Ik besluit Wikipedia te raadplegen en vind het begrip ideomotorisch effect: ‘Het ideomotorisch effect is het psychologisch fenomeen dat mensen spierbewegingen maken nadat ze deze onbewust bij anderen hebben waargenomen of doordat ze er onbewust aan denken.

Het ideomotorisch effect verklaart de werking van vermeende paranormale of bovennatuurlijke zaken zoals het Ouijabord, het automatisch schrift, de wichelroede en telekinese. Beoefenaars van deze paranormale bezigheden menen vaak – ten onrechte – dat de geproduceerde bewegingen afkomstig zijn van een kracht buiten henzelf. Ideomotorische effecten komen ook voor bij het televisiekijken, mensen die actief meeleven met hun favoriete sporter vertonen spierspanning in dezelfde spieren als de sporter. Wetenschappelijke tests door onder meer Michael Faraday, Michel Chevreul, William James en Ray Human hebben aangetoond dat allerlei fenomenen die dikwijls worden toegeschreven aan spirituele of paranormale krachten of “energieën”, feitelijk veroorzaakt worden door het ideomotorisch effect. De tests tonen verder aan dat “eerlijke, intelligente mensen onbewust musculaire activiteit vertonen die consistent is met hun verwachtingen.’

De wichelroede wees tijdens onze ontmoeting locaties aan die al bekend waren uit overlevering, publicaties van wetenschappelijk archeologisch onderzoek of door informatie van andere wichelaars. De wichelroede heeft mij ook nu niet kunnen overtuigen van zijn werking. Bovendien is uit wetenschappelijk geologisch onderzoek gebleken, dat het aanwijzen van wateraders door een wichelroede op toeval berust. Onder meer dan 80 – 90% van het aardoppervlak vindt men waterstromen. Het is eerder een kunst om niets te vinden.