Home » Flinten » Spiekers

Spiekers

[Foto: Drents Archief]

Fundament van de spieker

Een ander voorbeeld van de toepassing van flinten uit het verre verleden vinden we in de zogenaamde spiekers. Het woord is een afgeleide vorm van het woord spica, dat is het Latijnse woord voor korenaar. Spicarium is Latijns voor de opslagplaats voor het koren, een voorraadschuur of graanzolder. Ook in het Duits is de Getreidespeicher de opslagruimte voor graan. Het Oudsaksische woord spikare is afgeleid van het Latijnse spicarium. Het Nedersaksische spieker is daarvan weer een afgeleide.

Er was een tweede soort spieker die een andere betekenis en functie had. Die ontstond in de late middeleeuwen en was een Drents verschijnsel. Hier brachten de boeren hun belasting, bestemd voor de landsheer -de bisschop van Utrecht- in de vorm van graan. De spiekers bevonden zich te Anloo, Coevorden, Weerdinge, Rolde, Uffelte en Emmen. Tevens waren er spiekers van het klooster Maria in Campis in Halen, in Ruinen voor het klooster Dikninge en in Roden vind men ook nu nog de spieker voor het klooster in Bergum.

Tijdens werkzaamheden dicht bij de kerk van Rolde, stuitte de aannemer tijdens het graven op een hoeveelheid flinten. De grondsporen leken op een rechthoekig gevormde wand van flinten: een kelder? Ondanks een toezegging van de aannemer op verzoek van Roldenaar Arie Fonk, even met verdere uitgraving te wachten om nader onderzoek mogelijk te maken, werden de flinten vlot verwijderd. Alle sporen gingen daarmee volledig verloren. Het is volgens Fonk mogelijk dat het de spieker van de bisschop van Utrecht betrof.

Grote paalgaten die bij opgravingen Gasselte, Peeloo en Pesse werden aangetroffen, doen vermoeden dat er bij middeleeuwse boerderijen spiekers waren gebouwd. Spiekers werden zodanig gebouwd dat de graanoogst droog en schoon opgeslagen kon worden. Evenals vele voorbeelden van opslagplaatsen in het buitenland werd de eigenlijke schuur op palen gezet, zodat de vloer zich los van de grond bevond. Tussen de vloer en de palen bevond zich een platte balk of een flint.

 

Spieker van Lhee

In Lhee stuitte begin jaren vijftig de heer R.J.Barkhuizen bij graafwerkzaamheden op grote flinten. Ze bleken in een rechthoekige vorm te liggen en al gauw werd gedacht aan menselijke activiteit.

Het Biologisch-Archaeologisch Instituut (BAI) in Groningen stelde een onderzoek in. Voorgraver J.Lanting onderzocht de vindplaats en dacht te maken te hebben met het fundament van een kerkje. Een jaar later werd de plattegrond helemaal door het BAI opgegraven. De afmetingen van het fundament bedroegen 8,5 x 6,5 meter.

De fundering van de spieker en de put van flinten werden dermate bijzonder geacht, dat het door de Rijksdienst voor Monumentenzorg -tegenwoordig Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed- werd aangewezen als beschermd monument. Als voorbeeld van een reconstructie maakte men gebruik van de spieker van de Hof Scholten uit Grasdorf in de Grafschaft Bentheim uit het jaar 1464.

De fundering van flinten was een solide basis waarop de houten constructie geplaatst kon worden. De ruimte er tussenin werd opgevuld met een vlechtwerk van twijgen, dat met leem werd aangesmeerd. Bovenop was een overstekend dak van stro op rondhouten sporen. De ingang van de kelder was waarschijnlijk gemaakt met treden van flinten, die met een vlakke kant naar boven waren gelegd. De wanden van de kelder waren ook van flinten opgetrokken en met leem glad afgewerkt.

Voor de bouw van de spieker een aanvang nam, werd begonnen met het uitgraven van een grote kuil, met een schuin aflopende in- en uitgang voor de afvoer van het uitgegraven materiaal. Het was een karwei dat met de hand moest worden uitgevoerd. We mogen aannemen dat dit werk mandielig – ofwel: in gezamenlijkheid – door de boeren werd uitgevoerd.

De beschreven aanpak toont overeenkomst met het graven van een welput. Daarbij werd eveneens een ruim taps toelopend gat gegraven waarin de opgebouwde wand van flinten aan de buitenkant werd aangewerkt met leem en zand.

De benodigde hoeveelheid flinten moet in de directe omgeving zijn gevonden en naar de bouwplaats zijn aangevoerd met een wagen. Daarbij werd vooral gezocht naar flinten met een platte kant. Dat diende om een egaal oppervlak te krijgen aan de binnenwand en de treden naar de kelder.

Opmerkelijk is dat er in de constructie geen vloer van flinten is aangetroffen, maar blijkbaar werd volstaan met het aanbrengen van een aangestampte laag leem, zoals in boerderijen gebruikelijk was.

 

Meer spiekers

In augustus 1985 werd door een bewoner, tijdens graafwerkzaamheden achter zijn woning aan de Rietlandenstraat bij Zuidbarge, een muurtje van flinten aangetroffen. Het bleek een bijzondere vondst te zijn. Na verwijdering van een grondlaag vond men een constructie van flinten van een haast vierkant gebouwtje van ongeveer 3 bij 3 meter. Ook hier was de fundering gemaakt met grote flinten, eveneens met de vlakke kant naar binnen. Kleinere flinten vulden de ruimten er tussenin en aan de buitenzijde van de wand. De fundering, waarvan alleen de onderste laag nog aanwezig was, was gemiddeld zeventig cm breed en ongeveer zestig cm hoog. De aangetroffen leem tussen de flinten deed vermoeden dat de binnenkant met leem glad afgewerkt was.

Andere Drentse plaatsen waar uit flinten opgetrokken keldertjes van spiekers aangetroffen werden, zijn Noordbarge, Anloo, Valthe, Emmen en Zeijen. Deze zijn gedateerd van de tiende tot de veertiende eeuw n. Chr.

Werkt een layar-pagina niet? bekijk hier alle pagina’s die verbonden zijn aan het boek.