Home » Flinten » Paalworm

Paalworm

[Afbeelding: Niestadt fotocollectie Zijper Museum Schagerbrug]

De komst van paalworm zagen velen als straf van god voor zedeloos gedrag

Geschiedkundige, dichter en toneelschrijver Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647) schreef dat rond het jaar 1580 het dier al zijn verwoestende werk aanrichtte in de dijken van Zeeland. En ook in onze tijd is de paalworm aanwezig in de zoute kustwateren en verricht zijn schadelijke werk.

Paalworm, zedenloosheid en hebzucht
In de jaren dertig van de achttiende eeuw zorgde de paalworm in onstuitbaar tempo voor enorme schade aan de houten bescherming van dijken aan de kust en aan de houten beschoeiing van havens, sluizen en rivierkaden. De kracht van de wind en het water, tastte de kwaliteit van het houtwerk verder aan. Sommige gedeelten van de kustbescherming verzakten, of werden door het water weggespoeld. De bevolking bij de dijken en kaden, raakte erg verontrust door het plotselinge optredende gekraak van de uitgeholde beschoeiingen. Zware houten palen knapten zomaar als luciferhoutjes. Men vreesde de dreiging die er van uitging.

In diverse publicaties in die tijd werd door bestuurders van kerk en overheid gewag gemaakt werd van de straf van God. Een zondebok was al snel gevonden: de homo. Homo’s waren voor 1730 al doelwit geworden van een jacht op zedeloos gedrag. De Calvinistische kerk bestreed homoseksualiteit en er vonden executies plaats nadat een omvangrijk netwerk van zogenaamde sodomieten openbaar was gemaakt.

De wraak die opgelegd werd door kerkelijke en wereldlijke leidsmannen nam in 1730 ernstige vormen aan. Twee volledig los van elkaar staande zaken werden nu met elkaar in verband gebracht. Ten eerste de stagnerende economie aan het eind van de zeventiende eeuw, waaronder bepaalde sectoren, zoals de handel met het buitenland en de scheepvaart, die daaronder te lijden hadden. De economische malaise werd vooral gevoeld in de Hollandse havensteden.

Maar ook de hebzucht van de Hollanders in de Gouden eeuw werd door de kerkleiders aangemerkt als oorzaak van de rampspoed. De onrust die hiermee gepaard ging richtte zich onder andere op de sodomieten. Zij werden aangewezen als zondebok.

De tweede reden was de door de paalworm veroorzaakte, slechte toestand van de dijken: in het westen had men ernstige zorgen. De paalwormplaag werd door de kerk opgevat als straffe Gods voor het onzedelijk gedrag in de Republiek. Door het land werden pamfletten verspreid, waarin opgeroepen werd tot sodomietenvervolging. Het zwaartepunt van de vervolging lag vervolgens in Utrecht, waar een in 1999 geplaatste gedenksteen in het Domplein herinnert aan de achttien mannen, die wegens hun geaardheid in 1730 door wurging ter dood werden gebracht. (foto steen op plein)

In het Groningse Faan werden met dezelfde reden in het jaar 1731 door grietman Rudolph de Mepsche in een massaproces tweeëntwintig sodomieten – als veronderstelde aanstichters – in het gezicht geblakerd gewurgd en verbrand. Ondanks deze gruwelijke daad werd de Mepsche – hij was Oranjegezind – door stadhouder Willem IV in 1748 aangesteld als drost van Westerwolde. Hij stierf in 1754 en werd begraven in de Martinikerk te Groningen.

De heksenjacht op homo’s was hevig maar duurde kort. In Zuidhorn werd in het voorjaar van 1732 de eerste vrijspraak uitgesproken en het laatste vonnis in de sodomietenvervolging dateert uit 1733 in Vlissingen.

 Werkt een layar-pagina niet? bekijk hier alle pagina’s die verbonden zijn aan het boek.