Home » Flinten » Keienkloppen

Keienkloppen

[Foto: Archief Molen, R.B. van der]

Johannes Bernardus Bernink – Denekamp 1878 – onderwijzer en schrijver van het boek De Keien onzer heiden (Denekamp, 1942) schreef het volgende verhaal:

DE KEIENKLOPPER

Het was omstreeks 1896. Als achttienjarige jongeling was ik leerling op de Normaalschool te Oldenzaal. Elke dag wandelde ik de 10 kilometer lange straatweg Denekamp – Oldenzaal, vice versa. Een fiets of „vilsepé” zag men nog zeer zelden.

De weg was voor het grootste deel een mac-adamweg, stenen en grind, ingewalst met wat zandige leem uit de Lutte. Bij regen pap, bij droog weer stof. Gelukkig dat er toen nog geen auto’s waren, anders hadden de bloemen op de berm van de weg haar frisse kleur niet kunnen behouden.

Een deel van de straatweg -door Napoleon getraceerd- had echter nog de oude bekleding met veldkeien -kinderhoofdjes- maar wat steviger en solieder. De bonte keien konden tegen de stoten van de zwaarste vrachtwagens.

Op een goede dag verschenen er een paar arbeiders met schop en houweel om de laatste resten der oude straat te verwijderen. Langs de weg werden ze in lange ribben neergevleid. Hun dienst hadden ze gedaan. In andere vorm zouden ze dienstbaar gemaakt worden aan hetzelfde doek

Er kwam een tenger mannetje met zware klompen aan en een hamer in de vuist. Een hamer, kleiner dan de vuist. Een hamer met een zwiepende dunne steel, wel een halve meter lang. Met dat eenvoudige instrument ging hij de keien te lijf, dat het vuur eruit sprong. Het ijzer, staalhard, beukte op de harde keienkoppen, op graniet, op diabaas, op gabbro’s, op kwartsieten. Het was een bonte rij langs de weg, rose en rood, zwart en grijs.

Zij werden geslagen tot kantige brokken van 4 a 5 centimeter lang en breed. Dan kwam de opzichter, mat de hoeveelheid in m3 . Er werd wat witkalk overheen gesputterd en de keienklopper ging dan met het werk door, het eendere werk van iedere dag, om weer kubieke meters steenslag te maken. Vele hamerstelen versleet hij en vele klompen. Ja, vele klompen, want vaak moest hij de keien klemmen tussen bodem en klomp en dan gebeurde het heel licht, dat hij de klomp in plaats van de steen raakte. Voor de stenen op zich zelf had ik toen nog weinig belangstelling.

 

De keiklopper

De zak op de gekromde rug, de kleren

ontnaaid, gescheurd, en haar nog baard gekamd,

staat, naast een steenhoop, vlak in ’t zonnegloên,

een stokoud man. Met stramme handen zwaait hij

zijn ijzeren hamer, die met doffe slag

bonst op een rotsklomp, dat de splinters knetrend

in ’t rond vliegen. Met zijn hemdsmouw wist

de grijsaard ’t zweet, dat op zijn voorhoofd blinkt,

en slaaft maar voort, met doffe slag op slag,

de grove keien, scherf om scherf, vermorzlend.

En hoorbaar klinkt, bij elke zwaai der hand,

een schor geluid, – reutlen van een, die sterft, –

uit ’s ouden gorgel, door geen drank gelaafd….

Hoog, op de bergen, boven rots en mensen,

kerft geel en rijp de wijndruif aan de stok

–   Pol de Mont

 

Ook voor de armenzorg in Groningse dorpen werden in de 19de eeuw klopkeien aangevoerd die ter plekke tot gruis werden geklopt. De landarbeiders, ’s winters zonder werk en inkomen, werden destijds aan hun lot overgelaten en moesten maar zien hoe ze de winter doorkwamen. Degenen die niet zelf een stukje land hadden leden honger. De arbeiders verzwakten en vermagerden, kinderen groeiden nauwelijks nog. Dienstmeisjes die in de winter doorwerkten, vielen flauw op hun werk.

Het socialisme sloop het Groninger platteland binnen onder aanvoering van Domela Nieuwenhuis en de ”rooie’ boer Derk Mansholt. Het broeide en de arbeidersbevolking kwam in opstand tegen de wantoestanden. Dat begon bij de flintenkloppers. De Groningse gemeenten waren overgegaan tot werkverschaffing onder leiding van een armenbestuur. De werkloze landarbeiders moesten flinten fijnkloppen tot steenslag dat werd gebruikt voor het verharden van wegen en opritten.

De flintenkloppers zaten uur na uur, dag in dag uit op de vloer van het flinthok de eindeloze berg flinten tot gruis te kloppen. Het waren erbarmelijke omstandigheden en de situatie was uitzichtloos. In 1889 legde een groep van negenentachtig flintenkloppers in Finsterwolde het werk neer. Men protesteerde maar er veranderde niets. Toen eind oktober 1892 de oogst was afgerond en er geen werk en dus ook geen verdienste was ontstond er opnieuw oproer, nu van zo’n vijftig flintenkloppers in Finsterwolde. De sociale omstandigheden van deze groep mensen waren erbarmelijk. De net aangetreden burgemeester Hesselink van Finsterwolde vergeleek ze met wilde dieren.

’s Avonds trok het oproer rond en werden ramen ingegooid bij de rijke boeren en andere welgestelden. Uiteindelijk werd het leger ingezet en voor een periode van drie maanden de staat van beleg afgekondigd voor het Oldambt en de verhitte strijd koelde af. Het communisme had in Oost-Groningen intussen voet aan de grond gekregen.

Werkt een layar-pagina niet? bekijk hier alle pagina’s die verbonden zijn aan het boek.