Home » Flinten » Grensstenen » Conflict Drouwen – Grolloo

Conflict Drouwen – Grolloo

Weer die van Grolle…

Een andere strijd betrof de plaatsbepaling van markestenen met de namen Quekeboschsteen, Gasselter Hoofdsteen en ook weer de Scherpensteen: het conflict over de markegrens tussen Grolloo en Borger. Jaren van strijd gingen er voorbij totdat het conflict uiteindelijk door de Etstoel beslecht werd. In 1726, zo blijkt uit enkele verklaringen, hadden de boeren van Grolloo in een heideveld, door het graven van een greppel een scheidslinie getrokken. Twee getuigen, Jan Jansen en Geert Berents, verklaarden dat zij samen met de boeren uit Borger naar het bewuste veld waren getogen …

alwaar die van Grolle verdelinghe van ’t velt door afsteken van kluiten hadden gemaakt. De buren van Borger constateerden onmiddellijk dat die grens veel te dicht bij Borger lag. Ze gooiden de greppel weer dicht, en het door Grolloo gemaaide gras werd in de wind verstrooid. Een jaar later – 1727 – herhaalde het tafereel zich. Enkele Borgerder boeren togen naar het veld en haalden er twee, door Grollooërs geplukte, voer heide weg, het restant verstrooid.

Op 7 mei 1728 was het de beurt aan de Grollooërs om een ferme daad te stellen. Op die dag besloten zij 570 schapen van de Borgerder boeren bijeen te drijven en in het betwiste gebied te schutten. De Grollooërs eisten vervolgens schutgeld voor hun ‘nobele daad’. Dat viel natuurlijk volkomen verkeerd bij de verontwaardigde Borgerder boeren, want de die van Grolloo hadden de schapen geschut op een veld dat sedert ondenkelijke jaren altoos vredigh en rustigh toebehoorde aan Borger. De klacht van de Borgerder boeren komt voor op de goorsprake van 27 september 1728. Ze eisten niet alleen restitutie van het schutgeld, maar ook dat de Grollooërs …sig inkomstig van dergelijke attentaten moesten onthouden.

 

Goorsprake
De markegenoten van Grolloo lieten het er niet bij. Zij besloten op 20 november 1728 bij klimmender sonne te Rolde ten huize van weduwe Scholtinnen Neeps een gerichtschijn te doen houden om de beschuldiging van Borger te weerleggen. De markegenoten van Borger werden op 13 en 14 november door de pander Reinder Jans Sickens op de hoogte gebracht van dit voornemen.

De schulte van Rolde L.Beeltsnijder, hield zich met de zaak bezig en verrichte onderzoek door het verhoren van betrokkenen en getuigen uit Borger en Grolloo. De zaak werd voorgelegd aan de Etstoel en op 3 september 1729 kwam de Etstoel tot een uitspraak in de vorm van een compromis. De grens ligt, zoals tegenwoordig blijkt, veel westelijker dan de uitspraak van de Etstoel rechtvaardigt en blijkbaar hebben de Borgerder boeren aan het langste eind getrokken. Wat men er in Grolloo van dacht is niet bekend, maar het laat zich raden.

 

Weer de scherpe steen
Ook de Drouwenaren waren in conflict met Borgerder boeren over een markegrens die aangeduid was met een flint. Daarover doet de Etstoel op 4 december 1704 een uitspraak bij monde van Abraham Rudolph Kymmel, Schulte van Rolde en het Rolder Dingspil. Hij wordt bijgestaan door Jan Helinge uit Ees en Roelof Hovinghe uit Buinen. De uitspraak wordt gedaan in een open gerigte en luidt als volgt: De scheidslinie tussen de marken van Borger en Drouwen sal gaan uit het oosten van de bekende vlinte bij Wilhelm’s hecke, westwaarts op de vlinte liggende aan de kerkweg niet verre van de meule en van daar westwaarts na Grollo op een vlint of paal die geligt of geset sullen worden recht in ’t midden tussen de Scherpe steen en een vlint liggende ten oosten van wilen Hans Warnersveen.

 

De wind en de flint
Tussen de markenoten van Linde en Nolde was er al vanaf 1692 een conflict over de markegrenzen. Het betrekkelijk onbegroeide Lindiger Sant werd in de jaren tussen 1730 en 1740 geteisterd door harde noord-oostelijke zandstormen. Die bliezen enorme voorraden flinten bloot. Flintenhandelaar Steenhuis verzocht de Nolder markegenoten hem de flinten te verkopen. Die twijfelden en dachten dat de flinten niet op hun gebied lagen. Met de Lindenaren kon Steenhuis vervolgens wel zaken doen en zij verkochten hem de flinten.

De Noldigers kregen blijkbaar wroeging over deze daad en beklaagden zich in de Goorsprake op 26 september 1742 in Westerbork. Men vond dat de Lindeger boeren zich schuldig gemaakt hadden aan het verkopen van goederen die aan Nolde toekwamen. Over en weer kwamen er beschuldigingen van andere zaken bij; schapen die op het gebied van de andere marke graasden, boekweit dat gezaaid was op grond van de andere marke. Het geschil kwam ten einde toen op 7 april 1743 de grenzen door de Drost en Etten definitief werden vastgesteld.

Toch werd door de Noldenaren geprobeerd hun gelijk te krijgen, en werd een mulder opgevoerd die omstreeks 1730 bij abuis of vergissinge een markesteen had meegnomen, die de grens aangaf tussen Schottershuizen en Kerkenbos. Getuigen wisten echter te verklaren dat de mulder de flint op de juiste plaats had teruggelegd. Op 21 juni 1743 handhaafde de Drost en Etten hun besluit van 7 april dat jaar.

Werkt een layar-pagina niet? bekijk hier alle pagina’s die verbonden zijn aan het boek.