Home » Flinten » Flintwegen » Reizigers

Reizigers

Flintwegen brengen gevoelens teweeg bij reizigers 

Flintenstraten waren er al voor het midden van de negentiende eeuw in Gasselte, Dalen, Rolde, Grolloo en Balloo. Ze hadden allemaal een breedte van 3,5 meter. In Rolde liep de flintenweg vanaf de Asserstraat, via de Hoofdstraat en de Grollooërstraat, naar de Grote Brink. In 1847 was ook een stuk van de weg richting Gieten verhard. Op de Asserstraat in Rolde was het begin van de flintenweg nog zichtbaar tot eind twintigste eeuw als een overgang van asfalt naar klinkers ter hoogte van de toenmalige uitspanning ’t Hof van Rolde. De provincie had vanaf Assen tot dit punt het onderhoud van de verharde weg.

In Grolloo was de weg 650 ellen (el = meter) en 5 palmen (palm = 10 cm) lang. De weg werd onderhouden door de aanwonenden en de weg was verdeeld over 29 panden. In Balloo verzorgde de Boermarke het onderhoud. De flintenweg liep hier van de viersprong 79 ellen in de richting van boerderij Kamps en 146 ellen in de richting Rolde.

De flintenweg in Gasselte werden in 1842 beschreven door de Podagristen, de heren Van der Scheer, Boom en Lesturgeon:

Doch wij gaan ’t dorp binnen. Wij sukkelen eerst naar ’t Lutken-ende, ’t Gasselter Pera, of er zich eenig voorwerp mogt opdoen, onzer aandacht waardig. Prijselijk is ‘t, dat de Gasselters de levenlooze producten van hun ondankbaren bodem – wij menen de veldflinten, – niet ongebruikt lieten liggen, maar ze tot een effen straat, door ’t gansche dorp loopende, aan elkander gevoegd hebben. Weinig meer evenwel dan deze straat, is hier te vinden, wat opmerking verdient.

Een karretje op de flintenweg
Een fraaie sfeerbeschrijving van het comfort van de flintenwegen, vinden we in een verhaal uit het zuidwesten van Drenthe. Dezelve oude boer verhaalde nog van een reistochtje, dat hij had moeten maken met een of ander hoog militair.

Ik woonde toen, zoo vertelde hij, in Uffelt en werd opgeroepen om op een morgen bij de Dieverbrug te verschijnen met twee paarden om een passagier naar Meppel te brengen in een rijtuig. Dit bestond uit een ouderwetsch koetswagentje zonder veeren. Ik was op tijd present, eveneens mijn passagier, een groothans in militair tenue, misschien wel een generaal of zooiets, die er nog al bar uitzag.

Ik was echter niet al te bang uitgevallen en stoorde mij daar ook niemendal aan. En wij op weg over den zandweg langs de Smildervaart. Ik reed, meende ik, wel vrij flink op, doch hoorde al spoedig eene stem uit het koetsje, dat ik harder moest rijden. Ik zette de paarden al een weinig aan, doch volgens het gevoelen van den grooten mijnheer achter mij nog niet genoeg. Ik moest veel harder rijden. ’t Welk hij mij telkens met geduchte vloeken en scheldwoorden toeschreeuwde.

Ja, baas groothans, dacht ik bij mij zelven, als ik je straks maar in Meppel heb op de keien, dan zal ik je de ribben nog eens goed door mekaar donderen! Toen wij dan bij den Galgenkamp Meppel binnenkwamen gaf ik de paarden eens flink de zweep en voort ging het over de keien. Ik wipte soms wel een voet hoog van de bank en hoe het de groote mijnheer ging achter mij in het koetsje, heb ik hem niet gevraagd; doch dit weet ik wel: toen ik hem voor het stadhuis loste, keek hij mij woedend aan, maar zei niets.

Ik denk wel, dat hij het overige van den dag liever zoetjes heeft willen wandelen dan op een bank of stoel zitten. Nu, een heel plezierig gevoel had ik zelf ook niet in mijn achterdeelen, doch dat had ik er wel voor over om het plezier, dat ik dien groothans eens geplaagd had voor zijn haast en zijn scheldwoorden.

Werkt een layar-pagina niet? bekijk hier alle pagina’s die verbonden zijn aan het boek.