Home » Flinten » Flintwegen

Flintwegen

[Foto: Drents Archief]

De aanleg van flintwegen

De aanleg van een flintenweg was specialistisch werk. Op de plaats waar de weg in het veld moest komen te liggen werd de heideplag verwijderd. De breedte van de weg werd 3 meter. Daarvoor werd over een breedte van 4 meter de heide verwijderd en de bovengrond. Vervolgens werd de zogenaamde kip = zandfundering aangelegd. Op zandgronden met een A-horizont – bovengrond van mineraal of moerig materiaal – werd deze laag afgegraven; op stuifzand werd iets dieper gegraven omdat de zandkorrels te klein waren om de keien vast te houden. Op gronden met veel keileem werd soms wel tot op een halve meter al het materiaal verwijderd. De ontstane gleuf werd opgevuld met scherp zand, dat meestal afkomstig was uit een greppel langs de weg. Deze greppel werd weer opgevuld met de plaggen en bovengrond die uit de sleuf gekomen waren. (Schema overnemen)

Het zand zorgde er voor dat opvriezen van de flinten werd voorkomen. Als dit werk klaar was, dan gaf de baanmaker het zand de vorm die de weg moest krijgen. Zogenaamde naaldstenen werden om de paar meter gelegd om de uiteindelijke bolling van de weg aan te geven. Het verschil tussen het midden en de zijkanten van de weg bedroeg ongeveer 6 à 7 cm. Om de bolling te controleren had men een mal gemaakt. Als de zandfundering er goed inlag, kon de flintenlegger aan de slag. De door een andere persoon, vaak een jonge knaap, aangevoerde flinten werden door de flintenlegger met de lange kant in het zand gelegd. In de breedte gelegde flinten lagen niet stabiel genoeg.

Het was voor de flintenlegger wel verleidelijk om ze plat neer te leggen, omdat hij dan sneller opschoot. Daarmee onderscheidde een goede flinterlegger zich van een slechte.

Na het leggen van de keien werd de weg bezand en aangestampt met een stamper gemaakt van essen- of iepenhout. Hij woog ongeveer dertig kilogram, had een ronde onderkant die voorzien was van smidsnagels. Een ijzeren band om de stamper voorkwam splijten. Het strooien met zand en het aanstampen werd vaak nog een keer herhaald.

Per strekkende meter was ongeveer een halve kubieke meter flinten van gewoon formaat nodig. Er werd gemiddeld een kleine twintig vierkante meter keienweg per dag aangelegd. Dit was mede afhankelijk van de grootte van de flinten. Een flintenlegger verdiende in de jaren dertig van de twintigste eeuw, in daghuur 18 gulden, en in vaste dienst 25 gulden per week.

Een stratenmakersploeg bestond uit drie personen: een baanmaker -annex stamper-, een flintenlegger en iemand voor het aansjouwen van de flinten.

De uitrusting van de flintenleggers bestond uit;

–           Een panschop voor het verdelen van het zand

–           Metseltouw om de weg mee uit te zetten

–           Een straathamer voor het leggen van de flinten

–           Een koevoet, bongel of houten stok met een dikte van vier centimeter om de zware flinten die te diep lagen iets op te tillen

–           Een stamper om de weg stevig en vlak te krijgen

–           Een kruiwagen voor flinten en zandvervoer

–           Kniestukken om de knieën te beschermen tegen vocht

 

Boswachterij Ruinen
Boswachterij Ruinen is na de Tweede Wereldoorlog ontgonnen. Ook daar werd bestraat met flinten. Met een wals, die van de gemeente geleend was, werden de nieuw gelegde flinten in het tracé gewalst. In 1947 begon de aanleg van de flintenweg en in 1950 was deze klaar voor gebruik. Er werd soms met 500 man aan de weg gewerkt. De weg werd in het begin vooral gebruikt voor de aanvoer van compost voor bemesting van de grond. De weg in de boswachterij Ruinen bestaat ongeveer voor de helft uit flinten. In het andere gedeelte zijn kleine flinten gebruikt, vermengd met puin afkomstig van het tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar bestookte Arnhem.

Door zware vrachtwagens, tractoren en landbouwmachines en door weersinvloeden zoals opdooi, ontstonden kuilen en onregelmatigheden in het flintendek. Door het gebruik van een zware wals, een zogenaamde getrokken trilwals, worden de flinten weer tot een egaal oppervlak. Het walsen van de flintenwegen doet men vooral na een vorstperiode als de flinten losgeweekt zijn.

Werkt een layar-pagina niet? bekijk hier alle pagina’s die verbonden zijn aan het boek.